‘’My brain is my drug of choice’’

Ik zie de wereld als een groot observatorium waar je veel kan leren. De twee vragen die mijn grootste interesse hebben zijn ’Waarom doen mensen wat ze doen?’’ en ‘’Waarom voel ik me zoals ik me voel?’’.

De eerste vraag is ontstaan uit mijn grote fascinatie voor menselijke emoties en hoe deze in relatie staan met de dingen die mensen doen. Die fascinatie komt denk ik ook wel voort uit het feit dat ik mensen eigenlijk een beetje eng vindt. Je zou ze kunnen vergelijken met poema’s: ze zien er mooi uit en ik wil ze graag aaien en met ze spelen en tegen hun aan liggen, maar ze kunnen ook elk moment (verbaal) bijten, en ik wil mezelf beschermen tegen die pijn. Wat ik onder andere heb geleerd van al mijn observaties is dat er eigenlijk maar twee redenen voor mensen zijn om iets te zeggen: expressie en effect. Je geeft uiting aan wat je voelt: “Auw, ik heb mijn teen gestoten” of probeert iets gedaan te krijgen: “Mag ik het zout van jou?” Veel conflictsituaties ontstaan, of worden niet goed opgelost, omdat mensen die twee dingen door elkaar halen.

Nieuwsgierig naar waarom ik voel wat ik voel, leidde deze tweede vraag tot een zelfonderzoek. Zo zette ik onder andere vraagtekens bij waarom ik zoveel ongemak voelde in het in stilte bij iemand aanwezig zijn. Ik was er goed in om stille, lege momenten op te vullen door het archief met feitjes en weetjes in mijn hoofd open te trekken waarmee ik de mensen in mijn omgeving kon entertainen en voelde me dan veilig bij mijn geleuter.

Maar juist daar waar gevoelens van ongemak opkomen, liggen onbeantwoorde vragen die beantwoord willen worden. Ik trainde mezelf dan ook om los te komen van de verslaving aan mijn brein door stil te zijn in het gezelschap van anderen en leerde bij opkomende emoties aanwezig te zijn. Om dit de reactie te laten zijn in plaats van er meteen woorden bij te zoeken en direct op mijn omgeving te reageren.

Dit heb ik als kind niet geleerd. Want wanneer ik als jong meisje overspoeld werd door een orkaan van ongewenste emoties en me een veilige schuilkelder werd aangeboden, dacht ik niet ‘’het lijkt me verstandig voor mijn persoonlijke ontwikkeling om hier nog even in de storm te blijven staan’’.  Nee, dan trok ik mezelf terug naar mijn veilige plek, in mijn brein. Deze plek was een safe escape en de laatjes met informatie die ik daar op mijn moment open kon trekken waren een prettige afleiding van de confrontatie met mijn gevoelens, evenals series kijken en het eten van chocoladekoekjes.

Als kind al was ik een observator en keek ik liever toe hoe andere kinderen aan het spelen waren dan zelf mee te doen. Nu biedt internet mij de mogelijkheid om op veilige afstand vanachter mijn scherm de wereld te observeren en “online” de antwoorden op mijn levensvragen te vinden. Ik maak ook uitstapjes de “echte wereld” in om de theorie in praktijk te brengen maar begeef me nooit in de “poema kooi” zonder mijn houvast: de handleiding die ik gemaakt heb, bestaande uit de vragen (en antwoorden daarop) die ik mijzelf de afgelopen jaren gesteld heb. Ik durf inmiddels dus ook de storm in te gaan, ook al trek ik nog steeds met tegenzin mijn regenlaarzen aan. En er zullen wonderen moeten gebeuren, wil je mij dansend in de regen zien staan.